
Boekfragmenten De Vierde Soera Deel 9
|
 In de badkamer draaide ze de kraan van de douche wijd open en met opgeheven hoofd liet ze het water een hele tijd over haar gezicht stromen. Toen ze tenslotte in de salon terugkeerde, had ze zichzelf weer in de hand. Dissie had zich nog niet aangekleed, maar droeg een korte badjas die zijn behaarde dijen nauwelijks bedekte.
Hij had thee gezet en zodra ze in een fauteuil was gaan zitten, schonk hij in zonder haar te vragen of ze thee wilde.
'Ben je Amerikaan?' vroeg ze tegen beter weten in. 'Een Amerikaan van Arabische afkomst misschien?'
Hij keek haar recht in de ogen. 'Nee. Ik ben Palestijn, afkomstig uit oostelijk Jeruzalem, de oude stad. Ik verblijf sinds 1967 in het Emiraat Abu Dhabi.'
'Een Palestijn?' echode ze. 'Hoe...? In Abu Dhabi?'
'Toen de Zesdaagse Oorlog uitbrak, werkte ik als arts in Al Ain. Dat was toen nog een kleine nederzetting in de woestijn. Ik ben er gebleven.'
'Dus woon je in de woestijn? In een tent?'
Hij schudde zijn hoofd. 'Al Ain is intussen uitgegroeid tot een groene universiteitsstad met een bevolking van bijna tweehonderd duizend inwoners.'
Ze hoorde aan zijn stem dat ze hem had gekwetst. 'Het spijt me.'
'Laa tahtamm.'
'Wat zeg je?'
'Never mind. Het geeft niet.'
Hij zweeg.
Ze wilde van haar thee drinken, maar die was nog te heet. Om de stilte te verbreken vroeg ze: 'Ik neem aan dat je doceert aan de universiteit van Al Ain?'
Hij aarzelde. 'Nee. Ik werk als chirurg aan het Mafraq Hospital. Dat is een ultramodern ziekenhuis in Abu Dhabi.'
'Je zegt het op een toon of je dat niet voldoende is?'
'Ik heb misschien ook La mémoire tatouée, zoals Abdel Kebir Khatibi schreef. Voor mij is Al Fatah meer dan de erkenning van de Palestijnse identiteit. Het is een nostalgisch verlangen naar mijn geboortestad. Wist je dat Mohammed aanvankelijk bad, neerbuigend in de richting van Jeruzalem?'
Ze keek hem nieuwsgierig aan. 'Zou je naar je geboortestad terugkeren als je dat kon?'
Zijn sombere bui was voorbij. 'Waarschijnlijk niet', lachte hij. 'In Abu Dhabi kunnen ze me niet meer missen. Ik ben hun beste chirurg.'
Zijn lach werkte aanstekelijk.
'Of de enige?'
Ze werden opnieuw ernstig.
Myriam dronk van haar thee. 'Wat doe je hier eigenlijk? Ben je hier als toerist of om andere redenen?'
Hij liet zich in de stoel naast haar neerzakken. 'Als orthopedisch chirurg ben ik me gaan toeleggen op beenmergtransplantatie. Daarvoor ga ik jaarlijks een paar maanden stage lopen in een of ander gespecialiseerd ziekenhuis. Amerika. Engeland. Dit jaar bij dokter Wilfrieds in het Universitaire Ziekenhuis van Leuven.'
'Is beenmerg niet de aanmaakplaats van de rode bloedlichaampjes?' vroeg ze.
Hij grijnsde. 'Precies. Zoals je wellicht weet, heeft radioactieve straling daarop geen heilzame uitwerking. Daarom werk ik ook mee aan een biomedisch onderzoeksprogramma over radio-immunologie en radiotherapie bij het NOC.'
Bij het NOC nog wel. Hij was dus een van de buitenlandse stagiairs. Hij merkte dat ze het begrepen had. 'Jaja', zei hij. 'Ook bij het NOC. Afwisselend bij dokter Wilfrieds en bij het NOC. Het maakt deel uit van het verdrag tussen het ADAD en het NOC.' Hij lachte. 'Je bent me dus nog niet kwijt.'
Ze vond het prettig dat te horen. 'Waarom heb je dat niet eerder gezegd?'
'Ik wilde je ermee verrassen.'
Daarin was hij beter geslaagd dan hij misschien wel vermoedde. Toen fronste ze haar wenkbrauwen. 'Maar... het contract met de Emiraten werd pas gisteren door Richard ondertekend.'
Hij spreidde zijn handen, handpalmen omhoog. 'Ach. Politiek getouw, eh... touwtrekken. Ja?'
Ze keek peinzend voor zich uit. 'Er is iets dat ik niet begrijp', zei ze. 'Als je maar voor een paar maanden hier blijft, was het dan nodig Nederlands te leren? De voertaal bij het biomedisch onderzoek is immers Engels?'
Hij keek haar aan met iets raadselachtigs in zijn ogen. 'O, maar ik ben van plan hier geregeld terug te komen.'
Onverwacht voelde Myriam haar hartslag versnellen. Met een ruk kwam ze overeind. Ze ging zich niet opnieuw in een uitzichtloos avontuur storten. 'Ik moet naar huis', zei ze vlug.
Werktuiglijk stond hij mee op. Ze zag dat hij wilde protesteren.
'Ik kom er wel uit', zei ze.
Hij liep mee naar de deur. 'Wanneer zie ik je weer?'
Ze aarzelde. 'Volgende week. Bij het NOC, neem ik aan. De sociale voorzieningen voor stagiairs is een van mijn taken.'
Hij wilde haar op haar mond kussen, maar ze trok de deur open en liep naar buiten. Ze had geen zin om op de lift te wachten en liep als verdwaasd de twaalf verdiepingen naar beneden. Terwijl ze de trap afliep, realiseerde ze zich dat ze voor iets op de loop ging. Maar ze wist niet precies waarvoor.
|
| |
Lees hier het tiende deel >> |
|
|
|
|
|
|
|
|