Boekfragmenten De Vierde Soera Deel 10


Ze werd vroeg wakker, maar bleef in bed liggen nadenken. Muriël was die nacht niet thuisgekomen. Dat gebeurde wel meer, maar juist nu had ze behoefte aan de luchthartige manier waarop haar vriendin de gecompliceerde relatie tussen een man en een vrouw kon herleiden tot de primaire behoeften van werk, eten en seks. Vooral seks. Wat was het in de houding van Dissie dat haar zo aantrok? Geciviliseerde barbaarsheid? Of de op een verkrachting gelijkende manier waarop hij haar had genomen? Nee. Hij kon ook lief en romantisch zijn, al zou hij heel zeker nooit een plaats krijgen op het lijstje van haar vaders huwelijkskandidaten. In gedachten hoorde ze Richard tekeer gaan als hij zou vernemen dat ze een verhouding had met een Arabier. Het idee alleen al maakte haar opstandig. Op dat punt had ze nooit kritiek van hem kunnen verdragen; misschien was dat omdat ze hem zijn eigen mislukte huwelijk met mama kwalijk nam. Of was het omdat ze hem als adoptievader het recht op kritiek ontkende? Ook niet. Alle vaders waren waarschijnlijk te ouderwets om onderscheid te kunnen maken tussen een minnaar en een vaste relatie. Toch nam ze zich voor het bij die ene nacht met Dissie te laten. Ze was zo in gedachten verzonken dat de deurbel al een tweede keer had gerinkeld voor het tot haar doordrong. Lenig als een kat sprong ze uit het bed en gluurde tussen de gordijnen door. Dissie stond op het trottoir en keek omhoog. Hij wuifde vrolijk. 'Hallo daar!' Ze opende het raam op een kier. 'Wat is er? Het is pas acht uur.' Hij lachte. 'We gaan naar zee. Het wordt een stralende zomerdag.' Achter hem stond een open sportwagen dubbel geparkeerd. Ze aarzelde. Waarom ook niet. Ze konden vrienden blijven, ook al wilde ze niet meer met hem naar bed. Met de huurauto reden ze naar Knokke. Onderweg vertelde hij dat hij de dag van hun ontmoeting naar de squashclub was gekomen om met een van de NOC-stagiairs een partijtje te spelen. Er was geen baan vrij geweest. Zo kwam het dat hij haar van de galerij af had gadegeslagen terwijl ze aan het squashen was. Haar knappe uiterlijk en het enthousiasme waarmee ze zich aan het spel overgaf hadden hem zo geboeid dat hij zich had laten inschrijven op haar trainingsprogramma. Toen al wist hij dat er onder die gladde, blanke huid van haar een hartstochtelijke vrouw schuilging en hij was verliefd geworden. Pas later was hij erachter gekomen dat ze de dochter was van de directeur-generaal van het NOC. Op de ledenlijst van de squashclub had hij haar adres gevonden. Met een stem zwaar van emotie verzekerde hij haar dat ze de enige vrouw was die iets in zijn leven betekende. Zijn taal en stijl klonken als een Oosters gebed met voortdurende herhalingen; een vorm van prediking die zo'n grote uitwerking op haar had dat ze, tegen haar wil, opnieuw onder de betovering kwam van deze vreemde man. Ze bleven de hele dag op het strand. Van een venter kochten ze broodjes en verse, ongepelde garnalen. Ze aten en praatten of lagen zwijgend naast elkaar en keken naar spelende kinderen. Ze lag op haar buik in het zand en hij wreef haar rug in met zonnebrandolie toen ze vroeg: 'Ben je getrouwd?' Hij ging rustig voort met masseren. 'Nee.' Ze draaide zich om en ging zitten. 'Weet je het zeker?' Er kwam een uitdrukking in zijn ogen die haar duidelijk maakte dat hij ook meende wat hij zei. 'Een vrouw als jij is in de Emiraten onbetaalbaar.' 'In het Westen ook', spotte ze. Hij bleef ernstig. 'Door de vele buitenlanders zijn er in de VAE voor iedere vrouw vijf mannen. Daarbij heeft de olierijkdom de prijzen van de bruidsschat zo opgedreven, dat zij voor de gewone man onbetaalbaar is.' Ze dacht erover na. 'Wat zou je voor mij moeten betalen?' Hij keek taxerend: 'Zeg maar een half miljoen dirham.' Ze ging opnieuw liggen. 'Hoeveel is dat?' 'Bijna tweehonderd duizend dollar.' Ze floot. 'Daar zal Richard blij mee zijn!' Hij gaf haar een klap op haar billen. 'Met dat dikke kontje van jou ben je vast een miljoen dirhams waard, ja?' Ze verlieten het strand pas een uur nadat de zon was ondergegaan. Tijdens de terugrit praatte hij weinig over zichzelf of over het land waar hij vandaan kwam, maar vroeg honderduit over haar leven, over Richard Dachner, over het NOC en alles wat ermee te maken had. Toen ze Antwerpen bereikten, reed hij rechtstreeks naar de Quinten Matsijslei. Ze stond op het punt te zeggen dat ze niet meer met hem naar bed wilde, maar veranderde van mening. Het probleem zou zich deze keer vanzelf oplossen zodra hij naar zijn olielandje terug moest. Bij het eerste ochtendlicht werd ze wakker. Ze opende haar ogen en zag dat hij naar haar lag te kijken. 'Goeiemorgen', zei ze. Hij glimlachte. 'Spreek het uit. Nu. Het zal toch een keer moeten gebeuren.' Ze knipperde met haar ogen. 'Mijn naam', zei hij. 'Je hebt me nog geen enkele keer bij m'n voornaam genoemd.' 'Arie?' 'Nee. Arafat!' 'Ara...' Ze kon de naam niet over haar lippen krijgen. Hij rolde boven op haar. Ze hief haar armen omhoog en sloeg ze om zijn nek. Hij kuste haar hartstochtelijk. 'Zeg het!' 'Arafat', fluisterde ze. 'Luider.' 'Arafat!' schreeuwde ze. 'Arafat. Arafat!'
 
Lees hier het elfde deel >>
pagina terug terug naar boven

© copyright Bob Mendes, all rights reserved

Hosting & Webdesign by Linulex

Concept by Artchronicles