Boekfragment Medeschuldig Deel 2




Als het eenmaal zover was, zou hij er zelf een eind aan maken. Snel en zuiver.
Alleen bleek dat niet zo eenvoudig als hij had gedacht. Een eerste poging faalde. Dat voor een ‘goede’ zelfmoord dezelfde planning nodig is als voor een succesvolle moord wist hij toen nog niet. Maar hij begreep wel dat hij voor de uitvoering ervan advies en hulp nodig had.
Een paar weken geleden had hij weer hoop gekregen. De pijn en het branderige gevoel minderden, maar verlangen naar seksueel verkeer was er nog niet bij. In een zwak moment bekende hij aan Julia wat er aan de hand was. Voor hun toch al zo broze verstandhouding betekende dat het einde. Julia was achtendertig en voelde er weinig voor de paar jaartjes die haar nog scheidden van die zo gevreesde veertigste verjaardag te verspillen aan de verzorging van een aftakelende oude man. Impotent nog wel. Ze ging weg. Weg van het gure klimaat in het noorden, naar Torremolinos aan de Costa del Sol waar ze een flat met uitzicht op zee had gehuurd, ze liet hem aan zijn lot over, met zijn waardeloze lul en het luchtje van olieverf dat hij overal meedroeg. Alles wat enige waarde had voor haar werd in dozen gepakt en door een verhuisbedrijf opgehaald. Gisteren had ze de laatste koffers met haar kleren, haar nertsmantel en een plakboek met krantenknipsels naar beneden gebracht om in de Jaguar te laden, die op de binnenplaats stond, klaar om te vertrekken.
Ten titel van afscheid hadden ze elkaar uitgescholden als twee ordinaire viswijven.
Stomdronken en een paar laatste vloeken uitbrakend, had hij zich teruggetrokken in zijn atelier. Van wat zich daar verder had afgespeeld wist hij nog weinig, behalve dan dat hij was doorgegaan met drinken en wat had geschilderd. Hij rolde zich om, de oogleden nog half gesloten en stootte zijn hoofd tegen de rand van de deur. Hij realiseerde zich dat hij op de grond lag in de deuropening, half binnen half buiten zijn atelier, en hij rook braaksel. In zijn mond was de smaak van een muskusrat in ontbinding.
Walgend van zichzelf opende hij zijn ogen. Van alle kanten staarde Julia hem aan, kwijlend van wellust, schrijlings zittend op een man die geen gezicht had, alleen harige handen waarmee hij haar grote witte borsten omklemde. Zoals tekstballonnetjes in stripverhalen had hij dwars door de waterverftekeningen woorden neergeklad die ze elkaar al rampetampend toeriepen, paarsrood, druipend als van bloed:

    Zij: Aah! Ooh.
    Hij: Voel je hem?
    Zij: Dieper, klootzak. Harder!
    Hij: Zal ik hem terugtrekken?
    Zij: Ik haat je! Ik haat je lul!
    Hij: Trut, je aanbidt hem!
    Zij: Jodenlul! Ik hak hem aan stukken.
    Hij: Julia, let op je woorden.
    Zij: Jodenlul! Vuile jodenlul! Vuile jood!
    Hij: Ik vermoord je!
Niet slecht geschilderd voor een uitgeleefde drankduivel.
Een felle pijn in zijn scrotum deed hem dubbelvouwen. Hij krabbelde overeind en strompelde naar de kleine badkamer naast het atelier. De overgordijnen in het atelier waren dicht en alle lichten waren aan, maar door het onbedekte bovenraam kon hij zien dat het buiten nog donker was. Het branderige gevoel was er weer. In de badkamer deed hij geen licht aan. Hij wilde niet weten of hij bloed waterde.
Hij schudde de laatste druppel af, leunde met zijn voorhoofd tegen het glas van het badkamerraam en wachtte tot de bonkende pijn onder zijn hersenpan wat verminderde. Er moest een betere manier zijn dan zich dooddrinken om er een eind aan te maken. In zijn vorige leven, toen hij nog als persfotograaf in het Midden-Oosten werkte, had hij zelden meer gedronken dan een paar pilsjes, maar vanaf de tijd dat hij Julia kende, neigde alles wat hij deed naar het extreme: blowen, zuipen, vrijen, ruziën. Hij wilde zichzelf voortdurend voor haar bewijzen. Het kwam zelfs tot uiting in zijn schilderijen, die voor hij haar kende nooit zo agressief of zinnenprikkelend waren geweest. Vreemd genoeg was het dat wat het publiek aansprak. De verf was amper droog of de galeriehouder had al een koper voor het doek.
Hij duwde het badkamerraam op een kier en ademde een paar keer diep in en uit. Veel hielp het niet, de kloppende pijn in zijn hoofd en het hangerige gevoel van de kater bleven. Hij keek naar buiten. Het was een heldere nacht en het licht van de sterren weerkaatste op de glanzende lakverf van de Jaguar op de geplaveide binnenplaats.
 
lees hier het derde deel >>
pagina terug terug naar boven

© copyright Bob Mendes, all rights reserved

Hosting & Webdesign by Linulex

Concept by Artchronicles