
Boekfragment Medeschuldig Deel 3
|

Het duurde even voor het tot hem doordrong dat die daar niet hoorde te zijn. Hij wist niets meer van wat zich de laatste uren had afgespeeld, maar hij herinnerde zich beslist het beeld van Julia zoals ze voor hem stond: met het korte suède jasje en de losse spijkerbroek die ze altijd droeg in de auto als ze grote afstanden moest afleggen, in de hand de autosleutels aan de sleutelhanger van bont, omdat ze klaarstond om weg te rijden.
Wat had haar doen besluiten om te blijven?
Hij haalde de schouders op. Met Julia wist je nooit waar je aan toe was. Hij spoelde de wc door en knipte het licht aan. Een opgeblazen, behaarde vent met een bleek gezicht en bloeddoorlopen ogen staarde hem aan vanuit de spiegel. Om te balen. Nog niet zo lang geleden was hij nog trots geweest op zijn hele lijf, zijn brede schouders, zijn weelderige haarbos. Nu had hij alleen nog een oudemannenkwaal om mee uit te pakken. En geld, want hij verdiende goed, maar echt beroemd was hij niet. Dat zou hij pas worden na zijn dood en zoals het er nu naar uitzag zou dat niet lang meer duren. Hij liet koud water in de wasbak lopen. Daarvan kreeg hij hevige aandrang om te plassen, maar hij bedwong zich, alsof hij daarmee het dreigende gevaar van prostaatkanker kon bezweren. Hij maakte een kommetje van zijn handen, spoelde zijn mond en wreef water over zijn gezicht. Toen pas voelde hij het letsel aan de linkerkant van zijn hoofd, en zag de donkere klis in zijn stugge grijze haar. Met een nat washandje wreef hij het geronnen bloed uit zijn haar, maar de wond begon weer te bloeden en dus pakte hij een opgevouwen handdoek en drukte daarmee op de wond tot het bloeden stopte. Dat had je met dronkemannen. Die vielen zich tegen iets te pletter zonder dat ze zich er bewust van waren. Hij had net zo goed kunnen doodbloeden. Dat zou nog eens de oplossing geweest zijn.
Waarom al dat gepieker over leven en dood? Over de vraag of hij al dan niet naar het Midden-Oosten moest terugkeren? Daar was het nu immers te laat voor. Hij kon zich beter in zijn werk wat meer toeleggen op kwaliteit. Weet je wat? Om zijn schunnige periode af te sluiten zou hij nog een laatste keer zinnenprikkelend schilderen. In zijn gedachten zag hij een reusachtig schilderij van naakte vrouwen, jonge meiden met wild haar en smijdige lendenen, die allemaal het gezicht hadden van Julia en elk gezicht zou een van haar ontelbare stemmingen, hartstochten of passies weerspiegelen. Als een exorcist zou hij zo haar geest uit zich verdrijven en tegelijk zou hij een meesterwerk creëren.
Hij trok zijn hemd uit, gooide het in de wasmand en trok een schoon hemd aan. Weet je wat het was? Zelfmedelijden... Hij moest ophouden met kniezen... Zichzelf zielig te vinden. Wellicht had hij nog negen, misschien wel twaalf maanden normaal leven voor de boeg. Daar moest hij het beste van zien te maken... En dan: de korte pijn.
Nog diep in gedachten verzonken over hoe hij dat zou aanpakken, verliet hij via de verbindingsgang het atelier en begaf zich naar de woonkamer annex eetkamer. Hij was halverwege toen daar de telefoon ging. Hij verwachtte dat Julia zou opnemen, maar niets daarvan. De bel bleef meedogenloos hard rinkelen – hoe dikwijls had hij haar al niet gezegd dat ze toestellen met een melodietje moest laten installeren – en veroorzaakte een nieuwe aanval van hoofdpijn.
Rrrinng... Rrrinng... Rrrinng!
‘Verdomme, Julia! Neem de telefoon op.’
Nog wankel op de benen liep hij de salon binnen, negeerde de lichtschakelaar, bleef met een voet haken achter de poot van een fauteuil, struikelde over een lage tafel en bezeerde zijn knie, vond de hoorn van de draadloze telefoon afgaande op het gerinkel en snauwde in het mondstuk: ‘Ja! Wat is er!’
Een mannenstem zei: ‘Met World Wide Moving. Is mevrouw Julia Kettel nog thuis?’
Het verhuisbedrijf met complete deur-tot-deurservice. Geef ons uw sleutel in Hawaï en u krijgt hem terug in Zuid-Afrika. Waarom moest het verhuisbedrijf hen dan nog bellen?
‘Julia Kettel is vertrokken. Ze woont hier niet meer’, zei hij, steunend op één been. Het klonk als een beschuldiging.
De mannenstem bleef onverstoorbaar. Ze hadden al eerder inboedels verhuisd van paartjes die uit elkaar gingen. ‘Dat begrijp ik, meneer. We wilden alleen bevestigen dat haar zending naar Torremolinos goed is aangekomen. Alles is uitgepakt en op zijn plaats gezet. De sleutel van de flat ligt bij de conciërge van het gebouw.’
‘Je kunt haar dat beter zelf zeggen. Ze heeft een mobiele telefoon.’ Verder wilde hij beslist niet gaan.
‘Dat hebben we geprobeerd maar zonder resultaat. Weet u...?’
‘Nee, ik weet niets. Ik kan u niet helpen. Goedendag.’ Hij gooide de hoorn neer. Godbetert. Wat dachten ze wel? Dat hij na alles wat er was gebeurd nog boodschappenjongen voor haar wilde spelen? Weg is weg. Opeens herinnerde hij zich de Jaguar op de binnenplaats. Wat deed die daar? Had ze hem achtergelaten wegens panne? Of had ze geen zin gehad het hele eind te rijden en had ze een taxi besteld? Het zou niet de eerste keer zijn dat ze zijn geld zo te grabbel gooide. Een absoluut vervelende gedachte deed hem opveren. Stel je voor dat ze niet eens was vertrokken? Dat ze boven in bed haar roes lag uit te slapen? Hij kon zich niet herinneren dat ze dronken was geweest of dat ze gesnoven had, misschien een peppil; met Julia was het altijd wat. Hinkend liep hij naar het trappenhuis. Bij de deur bleef hij staan en masseerde zijn knie. Zijn knieschijf voelde als gebroken. Nou ja, die pijn kon er nog wel bij.
‘Julia! Waar zit je!’
Het bleef stil in huis. Het enige wat hij hoorde was het tikken van een klok achter hem in de salon en het zachte suizen van de airconditioning. Dat én zijn eigen ademhaling, die klonk als van een verstokte roker die trappen oploopt. Opeens realiseerde hij zich dat hij nog altijd in het donker stond. Hij knipte de verlichting in de hal aan.
|
| |
lees hier het vierde deel >>
|
|
|
|
|
|
|
|
|