
Boekfragment Medeschuldig Deel 5
|
Considerate se questa č una donna,
Senza capelli e senza nome
Senza piů forza di ricondare
Vuoti gli occhi e freddo il grembo
Come una rana d’inverno.
(Uit Sjemŕ, ‘Ad ora incerta’, door PRIMO LEVI)
|
Bedenk of dit een vrouw is,
Zonder haren en zonder naam
Zonder nog kracht om te herinneren
De ogen leeg en de schoot koud
Als een kikker in de winter.
(Vertaling MAARTEN ASSCHER)
|
| 2. Nieuwe Wandeling |
Toen Sofie Moons op donderdag 28 maart om halfvijf ’s ochtends wakker werd in haar cel op de tweede verdieping van de vrouwenvleugel kon het haar geen barst schelen dat het voor haar joodse buurvrouw de eerste dag van Pesach was en voor de kwezel in de cel aan de andere kant Witte Donderdag. Wat haar betrof mochten op de eerste verdieping de moslims Al-Hijra vieren, de hindoes Maha Shiva Ratri of Holi, de Iraanse die zich een Zoroastrische noemde No Rooz Pirooz, en de boeddhistische grootmoeder die haar kleinzoon had doodgeslagen Parinirvana. Feestdag of werkdag, het beloofde een rotdag te worden, identiek aan de tweeduizend vierhonderd rotdagen die eraan waren voorafgegaan.
Sofie dacht aan gisteren, toen ze bericht had gekregen dat de Commissie voor de Voorwaardelijke Invrijheidstelling haar verzoek tot invrijheidstelling voor de tweede keer had afgewezen. In feite had ze niet anders verwacht. De voorzitter van de Commissie was een arrogante zak geweest die alleen maar tendentieuze vragen had gesteld. ‘Hoe is uw houding tegenover de nabestaanden van het slachtoffer?’ had hij gevraagd, terwijl hij heel goed wist dat ze nooit schuld had bekend.
‘Ik vind het heel erg voor hen,’ had ze geantwoord, ‘maar ik kan me niet verontschuldigen voor iets wat ik niet heb gedaan.’ Dat was natuurlijk het verkeerde antwoord geweest, dat wist ze ook wel, en ze voelde de tranen over haar wangen lopen en tegelijk stikte ze van woede dat ze zo zwak was geweest dat die zak haar had kunnen doen huilen.
Ze hoorde de eerste geluiden van de ochtend, een herhaling van de laatste geluiden van de avond: het bonkend dichtvallen van een zware metalen deur – een gevangenis kent geen zachte geluiden – gevolgd door de voetstappen van de cipier, penitentiair beambte zoals dat nu heet, die beginnend bij de eerste cel op de eerste verdieping de celdeuren een voor een ontgrendelde. De in 1862 voltooide rijksgevangenis van Gent was sindsdien wel een paar keer grondig gerenoveerd, maar beschikte niet over elektrische hekken of op afstand bediende deuren.
Tok, tok.
De cipier die met de sleutel op de celdeur klopt om de gevangene te wekken.
Klik, klik.
Het ontgrendelen van het slot.
Krak, krak.
Het openen van het luik en de stem van de cipier die de gevangene aanmaant tot opstaan.
Klak!
Het weer dichtslaan van het luik. De hele ceremonie vergde tussen vijfentwintig en vijfendertig seconden per cel, afhankelijk van wie de cipier van dienst was. Sofie kon aan de hand van het lawaai dat hij of zij maakte – het klepperen van de schoenen, de kracht waarmee het luik werd dichtgeslagen – uitmaken wie het was en zo kon ze de tijd inschatten dat ze nog in bed kon blijven. Zo te horen was het vandaag Semil Pasa, een van de vier penitentiaire beambten van allochtone afkomst onder het gevangenispersoneel. Ze had nog zestien minuten.
Na de eerste afwijzing door de Commissie had ze evenwel haar best gedaan. Ze had zich ziek getobd over de vraag hoe ze het slechte beeld dat de gevangenisautoriteiten zich tijdens de zes jaar opsluiting van haar hadden gevormd, kon tenietdoen. In de maanden die volgden, had ze het huishoudelijk reglement naar de letter toegepast, ze had nederig ‘Ja, chef’ of ‘Nee, chef’ gezegd telkens als haar iets werd opgedragen, ze had geen enkele keer meer het voorwerp uitgemaakt van een tuchtrapport van een van de penitentiaire beambten, ze had badminton gespeeld met het vrouwenteam, ze had zich laten inschrijven op een specialisatiecursus bejaardenzorg en palliatieve verzorging, ze had schilderlessen gevolgd en deelgenomen aan de pretherapeutische open gespreksgroepen voor drugsgebruikers Het Perron en Ahora, georganiseerd door ervaren groepswerkers en ze had geregeld een bezoek gebracht aan de psychosociale dienst van de gevangenis om samen met een van de vijf zielenknijpers uit te zoeken hoe ze in geval van voorwaardelijke invrijheidstelling in de best mogelijke omstandigheden de gevangenis zou kunnen verlaten.
Toen twee weken geleden het Albanese maffiosowijf van 132 haar in haar cel trok, in de billen kneep en beval dat ze haar poesje moest likken, had ze zich gewoon losgerukt en was naar buiten gelopen. Vorig jaar had een gitana dat ook geprobeerd, maar toen had ze het gezicht van de vrouw zo met haar nagels bewerkt dat die de hele gevangenis bijeen had gegild. Het had haar toen drie dagen strafcel gekost.
Werd ze beloond omdat ze zich nu beter gedroeg?
Nee!
Integendeel. In het werkhuis kreeg ze de klussen die niemand wilde en die het minst betaald werden. Daardoor kon ze zich zelfs geen tv in de cel meer veroorloven. Ze had haar miniaudiorack moeten verkopen om wat cosmetica en wat kleren te kunnen aanschaffen. Ze had zonder zuchten of het hoofd achterover te gooien al hun stompzinnige vragen beantwoord, ze had de zielenknijpers alles verteld wat ze graag wilden horen, zelfs hoe en hoe dikwijls ze masturbeerde, hoewel ze dat zelden deed, maar gebrek aan geslachtsdrift zouden ze bij de ‘evaluatie’ interpreteren als ongevoelig en harteloos en dat leverde geen punten op.
Ze konden allemaal de tering krijgen.
Tok, tok.
....
|
| |
lees hier het zesde deel >> |
|
|
|
|
|
|
|
|