
Boekfragment Medeschuldig Deel 6
|

De sleutel werd omgedraaid in het slot en het luik klapte open. In de opening verscheen een zachtmoedig gezicht met walrussnor en droevige rimpels dat behoorde aan een cipier van halverwege de vijftig, de oudste van het voltallige personeelsbestand en misschien daarom de enige voor wie ze niet instinctief in haar schulp kroop.
‘Opstaan, Moons. Het is tijd.’
Sofie bleef liggen. Het had geen zin. Je kon je uit de naad werken voor een dementerende moeder, slagen incasseren van een tirannieke stiefvader, je kon je als verpleegkundige afsloven in een ziekenhuis en je maandloon thuis afgeven, nederig zijn, hulpvaardig, wetten en reglementen gehoorzamen, naar de kerk gaan en bidden, en dan, als een havik op een veldmuisje, stortte een of andere gozer op je leven neer en zette alles voor altijd op zijn kop.
‘Wel, meiske? Gaat het niet?’
Sofie wendde het hoofd af. Wat wilden ze van haar? Dat ze haar volle straf zou uitzitten? Dat ze in een cel van negen vierkante meter ook nog de volgende tien jaar van haar leven zou doorbrengen? Dat ze zich nog drieduizend zeshonderd vijftig dagen lang zou wijden aan het vouwen van kartonnen dozen of het in elkaar prutsen van plastic prullen, tegen een hongerloon van één euro per uur? Al die tijd gejend en gebrutaliseerd door de kutwijven van de eerste verdieping die haast iedere dag bezoek kregen en zich dan met hun kerel terugtrokken in de kamers voor ‘ongestoord bezoek’ zodat de geregelde uitbreiding van het gezin en de eraan verbonden kinderbijslag niet verstoord werden door een futiliteit als een verblijf in de gevangenis. Om maar te zwijgen van de vrijstellingen die zwangerschap in de gevangenis meebracht. Hoe dan ook, de condooms die in de gevangenisapotheek voor die gelegenheid te koop werden aangeboden, kon je aan dit soort klanten niet kwijt. Zelf had ze de ‘liefdeskamers’ nog nooit aan de binnenkant gezien. Meer nog, ze had sinds haar opsluiting nog nooit bezoek gehad, de kluns die haar gedurende het proces pro Deo had verdedigd niet meegerekend.
Shit, shit en nog eens shit.
Sofie kneep wanhopig de ogen dicht, als ze ze opendeed zou alles alleen maar erger worden.
Walrus opende de celdeur, maar bleef in de deuropening staan. Zoals alle gevangenisbewakers droeg hij zijn uniform, dat bestond uit een keurig geperste zwarte broek, een onberispelijk lichtblauw uniformhemd – op zondag wit –, een zwarte of blauwe das en glanzend gepoetste schoenen. Wil je orde handhaven, begin dan met jezelf, was het motto van de gevangenisdirecteur.
‘Oké, Moons, we hoeven geen vliegtuig te halen of zo, maar je moet je wel aan de uurregeling houden. Ben je ziek?’
‘Nee, chef’, zei ze lusteloos.
Maar Walrus wist best wat er met haar aan de hand was. ‘Laat je er niet onder krijgen, meid’, zei hij vriendelijk. ‘Een volgende keer kunnen ze je de voorlopige invrijheidstelling niet weigeren. Maar dan moet je je kansen nu niet om zeep helpen.’
‘Het is niet eerlijk, chef. Ik heb er alles voor gedaan.’
‘Dat weet ik, Moons. Dat vonden we allemaal. Dat is dan ook de reden waarom het Personeelscollege je had voorgedragen. Dat is ook niet niks.’
‘Nou, veel heeft het niet geholpen. Als je het mij vraagt kan ik net zo goed springen.’ De gang van de tweede verdieping lag iets meer dan negen meter boven de begane grond. Je hoefde maar over een balustrade van vijfenzeventig centimeter te stappen en met je hoofd vooruit omlaag te duiken. In de mannenafdeling hadden er sinds ze hier was al vijf die sprong gewaagd. Morsdood waren ze geweest, allemaal, behalve die ene, die was na zijn duik opgestaan en hinkend weggelopen.
‘Zo mag je niet praten, Moons. Je weet dat ik zulke uitspraken moet melden. Voor je eigen welzijn.’
Sofie beet op haar lip. ‘Sorry, chef. Het was niet zo bedoeld.’
‘Dat weet ik. Maar ik wil het niet meer horen.’
‘Ja, chef.’
‘Maak je nu maar vlug klaar.’ Hij liet zijn stem dalen alsof hij uit de school klapte: ‘Misschien valt er voor jou vandaag nog een verrassing uit de bus. Met al die godsdienstige feestdagen wordt er trouwens vandaag en morgen niet gewerkt.’
Hij maakte rechtsomkeert en marcheerde naar de laatste cel van de vleugel. Dat was de cel van de Oekraïense jodin voor wie het vandaag de eerste dag van Pesach was en die van de Commissie strafopschorting had gekregen met het oog op uitwijzing naar de Oekraïne. Ze hadden haar als voorwaarde opgelegd dat ze gedurende tien jaar niet naar België mocht terugkeren. Het zou haar een zorg zijn. Binnen tien dagen was ze terug. Ze had een zoon van zestien die hier naar school ging en ze was niet van plan hem aan zijn lot over te laten.
Sofie Moons stapte uit bed. Achter een plastic gordijn bevond zich het sanitair. Terwijl ze op de wc zat, dacht ze voor het eerst aan ontsnappen, niet zo maar wat fantaserend zoals iedere gedetineerde wel eens doet, maar in volle ernst. Af en toe kwamen vanuit de mannenafdeling geruchten overgewaaid over pogingen tot ontsnappen, maar van vrouwen had ze daar nog niet over gehoord. Misschien dat daarom in de vrouwenafdeling de veiligheidsmaatregelen wat minder strikt waren. In gedachten overliep ze de plattegrond van de gevangenis. Het was een ‘celgevangenis’ van het gesloten type, opgebouwd volgens een stervormig model, met een centraal controlecentrum waarop vier vleugels van cellen en een administratieve gang uitkwamen. Vanuit dat ene centrale punt konden de bewakers alles zien zonder zelf gezien te worden.
Ze waste zich aan de lavabo en borstelde haar haar. Ze had lang blond, golvend haar. Het was zowat het enige wat ze mooi vond aan zichzelf. Voor de rest had ze op alles wat aan te merken. Ze had een langwerpig gezicht, zware wenkbrauwen, ogen met een onbestemde kleur, een wat grove huid, ze was 1 meter 74 groot en had een te zware boezem en te dikke kuiten. Volslank noemden ze dat tegenwoordig in de vrouwenmagazines. Zelf had ze er een ander woord voor: plomp.
Nee, ontsnappen vanuit het centrale deel of vanuit een van de celvleugels was onmogelijk. Het aantal vergrendelde deuren dat je daarvoor moest passeren was te groot. Zelfs als je een van de beambten zou omkopen, zoals dat naar verluidt geregeld gebeurde in de gevangenis van Vorst of van Lantin, was er geen uitweg. Ook vanaf het wandelplein zou het niet lukken. De vroegere stoffige binnenplaats was al een paar jaar omgevormd tot een keurig plantsoen, zo aangelegd dat je bij de dagelijkse wandeling haast onmogelijk nog neurotische rondjes kon draaien, maar verscholen achter groene aanplantingen bevonden zich nog altijd het hek en de muur van zes meter hoog.
|
| |
lees hier het zevende deel >> |
|
|
|
|
|
|
|
|