Boekfragment Medeschuldig Deel 7



De kans lag beter vanuit een van de werkplaatsen. De gevangenis beschikte over werkplaatsen voor licht-industriële arbeid met garagedeuren die naar de vrijheid konden leiden. Vier werkplaatsen voor de mannen, twee voor de vrouwen. Het gebeurde dat er vrachtwagens tot vlak bij de deuren reden om grondstoffen of afgewerkte producten te lossen of te laden. Als op dat ogenblik een van de bewakers een oogje toekneep...
Ze gooide de haarborstel van zich weg. Vergeet het maar. Ze kende geen enkele bewaker, man of vrouw, die voor de tachtig euro die ze in de gevangenisboekhouding op haar rekening had staan, zijn baan zou riskeren. Voor seks misschien? Geen denken aan. Ze had nog nooit haar broek laten zakken om iets te verkrijgen, zelfs niet toen ze financieel zo aan de grond zat dat ze het slavinnetje van Besan was geworden en ze alles deed wat hij haar opdroeg om zich haar dagelijkse dosis weed of speed te kunnen veroorloven.
Ze kleedde zich aan. Slipje, inlegkruisje uit voorzorg, spijkerbroek, T-shirt met opdruk Free as a Bird, geen beha, geen kousen, afgetrapte gympies. In de gevangenis van Gent mochten vrouwen hun eigen kleren dragen. De mannen niet, die droegen gevangenisplunje. Hoe zeg je dat in het Engels? Thank heaven for small favours?
Ze verliet haar cel, tegelijk met Tania. De Oekraïense had donkere poelen van ogen, volmaakte witte tanden, een honingkleurige huid die glansde van gezondheid en bruine weelderige krullen. Zoals altijd was ze stemmig gekleed: donkere broek, lichtbruine trui. Aan geld had ze geen gebrek. Sofie liep achter haar aan de trappen af naar de gelijkvloerse gang met de nutsvoorzieningen. De vrouwen hadden daar de beschikking over een wassalon, een kapsalon en een keuken waar ze bij speciale gelegenheden op eigen kosten konden kokkerellen. Het ontbijt werd normaal in de cel genuttigd, maar om een duistere organisatorische reden moesten ze daar sinds een paar dagen voor naar de keuken.
Naar gewoonte hield ze zich in de keuken afzijdig. Staand slurpte ze aan haar koffie, die als altijd te bitter was zodat ze er drie scheppen suiker in moest doen en ze knabbelde wat lusteloos aan een broodje.
Toen had ze een ingeving.
Gevangenen konden dagelijks, behalve op zondag, bezoek ontvangen. Voor gevaarlijke individuen gebeurde dat in een individuele bezoekcabine achter een glazen tussenwand, maar tachtig procent van de geïnterneerden ontving zijn bezoekers aan een tafel in de bezoekzaal. Omdat ze zelf nooit bezoek kreeg, lieten de cipiers soms oogluikend toe dat ze Tania vergezelde bij het wekelijkse bezoek van haar zoon en haar jongere zus Verona. Op een keer had Sofie Verona een compliment gemaakt over de leuke zilveren oorhangers in de vorm van een menora die ze droeg. Een week later bracht Verona haar een identiek paar.
Ze pakte Tania bij de elleboog en trok haar wat weg bij de anderen. ‘Ik heb je hulp nodig, Tania.’
‘Zeg maar.’ Tania was klein en tenger en de enige jodin in de gevangenis. Sofie had haar al meer dan eens in bescherming genomen als ze door de moslimvrouwen van de eerste verdieping die in alles blok vormden, gepest en gebrutaliseerd werd.
‘Ik ga pleite.’
Tania keek verward. ‘Wat bedoel je?’
‘Dat ik mijn biezen pak. Ik hou het niet langer vol.’
‘Kom nou, Sofie. We hebben allemaal wel eens...’
‘Nee!’
Tania zweeg, haar blik zweefde tussen begrijpen en afkeuren. ‘Hoe denk je het te bolwerken?’
‘Tijdens het bezoek. Ik loop gewoon mee naar buiten.’
‘Zo eenvoudig is dat niet. De bezoekers moeten bij het binnenkomen hun identiteitskaart of hun paspoort afgeven. Ze worden gefotografeerd. Die foto wordt met naam en voornaam op een A4’tje geprint dat ze in een plastic hoes...’
‘...de hele tijd dat ze zich binnen de muren bevinden op de borst moeten dragen. Bij het weggaan leveren ze het in tegen hun paspoort. Ik weet er alles van. Ik weet dat men van plan is in de Belgische gevangenissen vingerafdrukken te nemen van alle bezoekers en die bij het buitengaan te controleren om zo persoonsverwisseling te voorkomen. Men praat zelfs van een eye pass ticket, dat is een foto van de iris, die drie keer meer specifieke eigenschappen bezit dan een vingerafdruk...’
‘Sofie, ik...’
Sofie was niet te stoppen. ‘Maar voorlopig blijft het bij een computerprint van een foto. Heb je die afdrukken al wel eens goed bekeken? De prints zijn in zwart-wit en van zo’n slechte kwaliteit dat een moeder haar dochter er niet eens op zou herkennen. Ze hebben allemaal gangstertronies en je ziet het verschil niet tussen een man en een vrouw. Het enige wat opvalt, zijn de specifieke kenmerken: baard of snor, bril, lang of kort haar, de vorm van het gezicht, piercings, oorbellen of lange oorhangers met een in het oog lopende vorm.’
Tania’s gezicht kleurde langzaam rood. Ze was vlug van begrip. ‘Zoals menora’s, bedoel je?’
‘Ja.’
Ze lachte zenuwachtig. ‘Hoe stel je je dat voor?’
‘Wanneer laten ze je gaan?’
‘Dat weet ik niet precies. Het duurt nog minstens een week voor alle papieren in orde zijn.’
‘Goed. Als vanmiddag je zus op bezoek komt dan vraag je haar of ze maandag terugkomt. Ze moet dan de menora’s dragen. Een donkerblauwe sweater met rolkraag. Een spijkerbroek. Haar haar los en wild, zoals het mijne nu. We hebben allebei een langwerpig gezicht en blond haar. Ik zal zowat dezelfde kleren dragen. Als de bezoekers aanstalten maken om te vertrekken, moet ze het hoesje met de print losmaken en op de grond laten vallen. Ik vraag aan de duchesse dat ze een van haar huilbuien krijgt en voor de nodige afleiding zorgt. Ik raap het hoesje op, bevestig het aan mijn sweater en wandel ermee naar buiten, te midden van al de anderen die de zaal verlaten. Je zus speelt wat toneel, ze zoekt onder de tafels, jij helpt haar daarbij, en aangezien ze niets vindt, begeeft ze zich naar een van de toezichthoudende beambten en slaat alarm omdat ze de foto heeft verloren en niet terugvindt.’

 
lees hier het achtste deel >>
pagina terug terug naar boven

© copyright Bob Mendes, all rights reserved

Hosting & Webdesign by Linulex

Concept by Artchronicles