Boekfragment Medeschuldig Deel 8



‘Je komt niet voorbij de poortwacht. Ze zullen het merken.’
‘Ik wed van niet.’
‘Verona heeft een piercing in haar neusvleugel.’
‘Goed dat je het zegt. Tegen maandag zal ik er ook een hebben. Een knopje. Op precies dezelfde plaats.’
Tania’s gezicht was nu vuurrood.
‘Het lukt nooit. Het risico is te groot.’
‘Ik ben bereid dat te nemen, Tania.’
Tania knikte. Haar gezicht kreeg een tragische uitdrukking. ‘Jij wel’, zei ze. ‘Maar ik niet.’
Het duurde even voor het volle gewicht van haar woorden tot Sofie doordrong. ‘Wel godverdomme, Tania, jij van alle mensen? Je laat me in de steek?’
‘Je verlangt te veel van me, Sofie. Ik kan niet riskeren dat ze Verona opsluiten. Of mijn voorwaardelijke invrijheidstelling intrekken. Misschien doe ik het wel om jouw bestwil. Heb nog een beetje geduld. Hou je gedeisd. Een paar maanden nog. Ik weet zeker dat ze je dan wel zullen vrijlaten.’
‘Vrijlaten, m’n reet’, zei Sofie. Tania legde met een sussend gebaar een hand op haar schouder maar ze schudde die af. De beambte bij de deur draaide zich om en keek naar hen. ‘Jullie kunnen me allemaal de pot op’, siste Sofie, harder dan nodig. ‘Hoor je me? Allemaal!’
Met een klap zette ze haar kop op het aanrecht en liep weg.

Ze was veertien. Ze liep naast haar moeder achter de lijkwagen aan, op bedevaart in uitlaatgassen. De slingerende draak van rouwenden achter haar bestond hoofdzakelijk uit kameraden van het werk van pa. Een van hen had vergeten het sein op rood te zetten. Wie weet, misschien was de schuldige wel Roel, de man voor wie haar moeder pa had verlaten. Toen het nieuws van de treinramp bekend werd, had Roel haar omarmd, onnodig lang, en haar in het oor gefluisterd dat hij een liefhebbende stiefvader voor haar zou zijn. Ze begreep niet wat haar moeder in hem zag. De man had zweetvoeten, hij stonk.
Ze sloot haar oren voor het ginnegappend gefluister achter haar. Blijkbaar was ze de enige die echt om pa treurde, zelfs de witte rozen op de rijdende kist knikten, alsof ze sereen hun medeleven betuigden. Of veinsden, zoals ma, die al zes maanden met een andere man sliep en die nu als een ontroostbare weduwe in zwarte jas en met gebogen hoofd achter de lijkwagen liep. Aan het eind van de weg zag ze het open graf, een wijdopengesperde muil, obsceen en onontkoombaar. Toen de lijkdragers de kist lieten zakken, legde Roel troostend een arm om haar schouder. Ze was groter dan hij. Als toevallig schoof zijn hand onder haar oksel en de toppen van zijn vingers beroerden de welving van haar borst. Ze wentelde van hem af, gaf hem een trap tegen het scheenbeen en zette het op een lopen.
‘Sofie? Sofie!’
Ze keek op en staarde in het verontruste gezicht van Tania. Achter haar in de deuropening stond de duchesse, die over haar schouder meekeek. Sofie ging rechtop zitten en wreef in haar ogen.
‘Wat is er aan de hand?’
‘Ze hebben je naam omgeroepen. Je moet je melden bij het controlecentrum.’
‘Wanneer? Nu?’
‘Nee. Om halfnegen.’
‘Waarvoor?
‘Geen idee.’ Tania keek naar de tekst op Sofies T-shirt. ‘Als ik jou was, zou ik een ander T-shirt aantrekken.’
‘En een beha’, zei de duchesse. ‘Je weet dat de directeur het niet kan hebben dat je je hoerig kleedt.’ Ze was zelf altijd om door een ringetje te halen.
‘We kunnen niet allemaal blauw bloed hebben’, antwoordde Sofie giftig. In de buitenwereld was de hertogin erin geslaagd twee grote banken voor miljoenen op te lichten door zich een adellijke titel aan te meten.
‘Nee, maar dat wil niet zeggen dat je de etiquette niet in acht hoeft te nemen. Je zou...’
‘Hoepel op, duchesse. Mijn hoofd staat er niet naar. Jij ook, Tania. Laat me alleen, wil je.’
‘Oké.’ Tania aarzelde. ‘Als je me nodig hebt, ik ben in het kapsalon.’ Ze lieten haar alleen.
Sofie keek op haar horloge. Halfacht. Nog een uur. In vertwijfeling keek ze naar het plafond, naar de muren, die kaal waren met alleen een vergroting van een snapshot waarop pa uit een ouderwetse stoomlocomotief leunde. Hij moest toen haar huidige leeftijd hebben gehad. De cel was zo klein dat je je hele huis in een oogwenk kon overzien. Andere vrouwen versierden hun cel met eigen creaties, haakwerkjes met spreuken als Oost West Thuis Best. Om te gillen. Of met kiekjes van hun kinderen, plaatjes van de Heilige Maagd, of van Mekka of Mohammed of van mannen met onverzorgde baarden die verdacht veel op Osama Bin Laden leken. Weer anderen geilden op plaatjes van naakte mannen. Ze lazen stompzinnige boeken en keken naar nog stompzinniger soaps op tv. God, ze zou een moord begaan om vrij te kunnen ronddolen waar en wanneer ze dat wilde. Zwerven met Blackie, het hondje dat door haar stiefvader vanaf de eerste dag dat hij in huis kwam naar het asiel was verbannen, over weiden van lang, groen gras dat golfde onder de wind en de zon warm op haar gezicht voelen.
Dat Tania haar afvallig was geweest, verbaasde haar niet eens. De hele verdomde wereld was een op hol geslagen locomotief die werd voortgestuwd door eigenbelang en hebzucht. Waarom zou het in de gevangenis anders zijn? Wie geld had, kon privileges of de vrijheid kopen. Notoire gangsters en terroristen werden verdedigd door peperdure strafpleiters die zich in het zwart lieten betalen en die altijd wel iemand vonden binnen het gerechtsgebouw die bereid was een procedurefout te maken zodat de rechten van de verdediging waren geschonden en het vonnis werd vernietigd. Om de balans van Vrouwe Justitia in evenwicht te houden, werden dan snel een paar stakkers extra zwaar gestraft. Ze vloekte hard en dacht toen: God, wie kan het wat schelen? Als ze genoeg geld had, zou ze niet de minste moeite hebben iemand te rekruteren die haar zou helpen ontvluchten. Het Albanese maffiosowijf in de eerste plaats.

 
lees hier het negende deel >>
pagina terug terug naar boven

© copyright Bob Mendes, all rights reserved

Hosting & Webdesign by Linulex

Concept by Artchronicles