
Boekfragment Medeschuldig Deel 9
|

Maar wacht even. Ze had immers geld. Op de dag van de aanslag had Besan, voor hij van huis ging, haar een met een touwtje dichtgebonden pak gegeven en haar opgedragen het in hun speciale bergplaats in de kelder van het flatgebouw te leggen. Op haar vraag wat erin zat, had hij geantwoord dat het liassen bidprentjes waren, genoeg om de hele stad een roes van hier tot in het hiernamaals te bezorgen. Als ze zich gedroeg en hem straks hielp bij de klus die hij wilde klaren, zou ze er wel bij varen. Ze vroeg niet verder, ze voelde zich nog wat versuft van de stuff die ze de avond tevoren genomen had en ze had het pakje in haar handtas gestopt, waarna ze nog een uurtje in haar bed was gekropen. Ze werkte toen als keukenhulpje in het eetcafé Le Roy d’Espagne aan de Grote Markt. Toen ze daar twee uur later aankwam, zag ze dat het pakje nog in haar handtas zat. Ze durfde het daar niet in te laten – in de vestiairekastjes van het personeel werd geregeld ingebroken en handtassen werden leeggeroofd – en ze verstopte het pakje achter een rond luchtrooster in het plafond van een wc in de toiletruimte voor dames.
Om twee uur ’s middags belde Besan haar op en beval haar naar buiten te komen. Het was tijd om aan het werk te gaan. Ze liet het pakje waar het was.
De klus was op een ramp uitgedraaid, voor haar was het een vrijgeleide geworden naar de gevangenis en voor Besan een directe weg naar een graf in Turkije. Met een beetje geluk lag het pakje nog op de plaats waar ze het had achtergelaten. Twee kilo poen, stel je voor. Volgens de duchesse, die het kon weten, wogen veertig liassen met bankbiljetten van vijftig euro precies een kilo. Er zou in dat pakje dus tweehonderdduizend euro zitten. Als het bankbiljetten van honderd euro waren, misschien wel het dubbele.
De gedachte eraan bezorgde haar hartkloppingen. Misschien kon ze een regeling treffen met de Albanese. Die kon haar pooier vragen haar te helpen om hier uit te breken. Ze zouden dan samen het pakje ophalen en de inhoud delen.
Sofie sprong van het bed. Ze wist dat ze aan het fantaseren was, maar ze vertikte het zich gewonnen te geven. Integendeel, de strijd begon pas. Maar ze zou het anders aanpakken. Voortaan zou ze zich als een lammetje gedragen, de bewakers zand in de ogen strooien, tot ze het middel vond de wijk te nemen. Ze bekeek zich in de spiegel. Tania en de duchesse hadden gelijk. Ze moest wat doen aan haar uiterlijk.
Sofie ging aan het werk. Ze bond haar haar in een paardenstaart, deed wat lipstick op en wat rouge op haar wangen en zag er meteen helemaal anders uit. Daarna verving ze de jeans en het aanstootgevende T-shirt door een donkerblauwe rok en een bijpassende bloes, nadat ze een beha had aangedaan die eigenlijk een maat te klein was. De enige panty die ze bezat, had een ladder. Dan maar sokken. Ze stapte in haar pumps en wreef ze op met wc-papier. De tijd die overbleef, besteedde ze aan het epileren van haar benen. Ze herhaalde inwendig, telkens weer, als een mantra, ik wil vrij zijn, ik geef het niet op. Ik wil vrij zijn, ik geef het niet op.
Precies om halfnegen meldde ze zich bij het controlecentrum, een cirkelvormige balie met monitoren en schakelborden waarbinnen vier penitentiair beambten, twee mannen en twee vrouwen, zich onledig hielden.
Een van de mannen had wat weg van Besan, hetzelfde haar en dezelfde snor, zij het wat beter verzorgd, dezelfde schaamteloze blik. Hij bekeek haar, alsof hij een verschijning zag. ‘Wat nu? Ga je ter communie?’
Sofie sloeg haar oogleden neer om te vermijden dat hij in haar ogen de opflikkerende woede zou zien.
‘Ik moest me melden om halfnegen.’
De beambte raadpleegde een opengeslagen agenda. ‘Ik zie het al. Ga daar staan en wacht.’ Hij wees naar de deur die naar de gang van de administratie leidde.
Sofie gehoorzaamde. Het had geen zin te vragen wat er aan de hand was. Hij zou het opvatten als een uiting van ongemanierdheid.
Een halfuur later stond ze er nog, de beambte inwendig vervloekend. Hij behandelde haar als een schoolmeisje dat voor straf in de hoek werd gezet. Wat ze deden was je laten voelen dat je niets te betekenen had, dat alle macht aan hen was. Precies wat Besan met haar had gedaan. Het was maar goed dat hij dood was, zo niet zou ze het misschien in haar hoofd halen naar hem op zoek te gaan om hem die jaren van opsluiting betaald te zetten. Een leuke dood had hij evenwel niet gekend. Na de overval was hij naar Turkije gevlucht en was daar wegens een banaal verkeersongeval in de gevangenis terechtgekomen. Kort voor zijn uitlevering aan België was hij omgekomen bij een gevangenisopstand. Zijn celgenoten hadden hem met benzine overgoten en in brand gestoken omdat hij niet wilde meewerken.
‘Meekomen!’
Ze volgde de beambte, en onderging lijdzaam het proces van deuren die werden ontgrendeld en weer vergrendeld, een hard metalen geluid dat nazinderde tot diep in haar ziel. Halverwege de gang bleef hij staan bij een deur en drukte op een belknop. Even later ging er een groen lichtje branden. Na een onderdanig klopje opende hij de deur en duwde Sofie voor zich uit naar binnen. Ze deed vier stappen vooruit en bleef staan op de voorgeschreven afstand, handen op de rug. De bewaker stond pal achter haar, zodat ze zijn adem in haar nek voelde.
Het drong niet onmiddellijk tot Sofie door dat de man die achter het bureau brieven tekende, de directeur in hoogsteigen persoon was. Ze was hier nooit geweest en ze had hem nooit van zo dichtbij gezien. Wel een paar keer op afstand als hij hogere ambtenaren van het ministerie van Justitie, een keer de minister zelf, een rondleiding gaf, altijd omringd door voldoende penitentiair beambten of federale agenten om de veiligheid van de bezoekers te verzekeren. Onder de gevangenen ging hij door voor een gedreven en rechtvaardig man, een criminoloog die de gevangenis bestuurde als een moderne manager, een die lezingen gaf bij Rotary en andere hulpverlenende organisaties om giften af te dwingen voor de lotsverbetering van zijn gevangenen. Een keer had hij in de bioscoopzaal een toespraak gehouden over een nieuw systeem van elektronisch toezicht dat hij wilde invoeren. Na een strenge selectie zouden sommige gevangenen, voorzien van een elektronisch gecontroleerde enkelband, hun straf extra muros, thuis dus, mogen uitzitten. De maatregel kaderde volgens de directeur in de herstelgedachte en had tot doel de schade die de effectieve vrijheidsberoving meebracht tot een minimum te beperken. Mooie toespraak was dat geweest, dacht Sofie sarcastisch, maar het ware doel was veeleer een oplossing te vinden voor het probleem van de overbevolking in de gevangenis. Zelf kwam ze er niet voor in aanmerking. Haar conduitestaat was nu niet bepaald schitterend te noemen en het ergst van al: ze had geen thuis waar ze naartoe kon.
De directeur klapte de briefordner met de getekende brieven dicht en overhandigde hem aan een medewerkster die achter hem stond. ‘Zorg ervoor dat het vandaag allemaal de deur uitgaat, wil je?’
|
| |
lees hier het tiende deel >> |
|
|
|
|
|
|
|
|