Boekfragment Medeschuldig Deel 10



De medewerkster verdween met het dossier naar het kantoor ernaast. De directeur trok een map die uitpuilde van de documenten en met een lint was dichtgebonden, naar zich toe en maakte het lint los. Hij wierp een vluchtige blik op de bovenste stukken, hoewel het duidelijk was dat hij de inhoud kende en alleen maar bezig was zijn gedachten te verzamelen. Hij keek op naar de bewaker en gaf een teken met de ogen. Die trok zich een eindje terug en ging met de rug tegen de deur staan.
‘Zo, Moons,’ zei de directeur, ‘ik verneem dat je ontstemd bent over de beslissing van de Commissie.’
Verdomme, wat wilde hij dat ze antwoordde? Ja, ik ben ontstemd? Nee, ik ben blij? Ze schuifelde een beetje met de voeten en mompelde. ‘Eerder wat teleurgesteld, directeur.’
‘Dat begrijp ik. Maar heb jij begrip voor de beweegredenen van de Commissie?’
Beweegredenen m’n reet, dacht Sofie. De voorzitter was een klootzak. ‘Ik weet het niet, directeur. Ik ken hun beweegredenen niet.’
‘O nee? Het ligt toch wel voor de hand. Je bent niet bepaald een modelgevangene geweest.’
‘Ik ben veranderd, directeur. Ten goede. Ik heb me aangepast.’ Ze verwachtte een of ander stompzinnig verhaal dat stafleden en zielenknijpers altijd vertellen als ze je de les lezen of met het vingertje omhoog aan het verstand brengen hoe je je in het Leven met de hoofdletter L moet gedragen. Het was allemaal zo gênant.
Tot haar verbazing liet de directeur de zedenpreek achterwege. Hij knikte. ‘Volgens wat ik lees, stel je je inderdaad wat minder...’ Hij zocht naar het goede woord. ‘...balorig op. Jammer genoeg vrij laat. Bovendien wil de Commissie er zeker van zijn dat die verandering ten goede van blijvende aard is. Maar ze willen je wel een tweede kans geven. Na negen maanden zullen ze je opnieuw evalueren.’
Negen maanden!
De directeur legde een hand op de lijvige map die haar gerechtelijke levensloop bevatte. ‘Ik heb zo-even je dossier nog eens doorgenomen. Ik zag daarin een paar elementen in je voordeel en vroeg me af waarom je advocaat destijds niet in hoger beroep is gegaan. Was hij bang voor een nog zwaardere straf?’
Sofie haalde de schouders op. ‘Zo liet hij het voorkomen. In werkelijkheid had hij de bezwaartermijn uit het oog verloren.’ Dat had ze beter niet gezegd. Ze zag de directeur fronsen. Alle langdurig gestraften deden onder elkaar voortdurend ingewikkelde verhalen waarin de eigen onschuld bepleit werd, maar ze hielden er hun mond over tegen de gevangenisautoriteiten. Het hielp geen zier en wekte alleen maar de indruk van opstandigheid. Maar de directeur schudde het hoofd en trok warempel een gezicht alsof hij het met haar eens was. Hij humde.
‘Ik heb soms het gevoel dat je nog naar jezelf op zoek bent, Moons. Maar ik wil je de kans geven een sleutel tot een betere toekomst te vinden.’
Misschien is dat niet eens nodig, dacht Sofie. Misschien spring ik wel. Gewoon pats, en dan niets meer. Wat was er nou zo erg aan doodgaan? Ze had toen ze in het ziekenhuis werkte tientallen de laatste adem zien uitblazen. Gewoon niets. Een zwart gat.
‘Je hebt tot op heden nooit aan de criteria voldaan om in aanmerking te komen voor penitentiair verlof. Zelfs niet voor een uitgaanspermissie. Je kent immers het verschil?’
Ze knikte. Natuurlijk kende ze dat. Met penitentiair verlof mocht je soms tot drie dagen de gevangenis verlaten, zogenaamd om je los te maken van het dagelijkse gevangenisleven of stappen te kunnen zetten voor je sociale reïntegratie, terwijl je met een uitgaanspermissie een strikt beperkt aantal uren naar buiten mocht om medische of familiale redenen, zoals een ziekenhuisopname of een begrafenis van een ouder of kind.
‘Volgens de modaliteiten van het externe regime kom je daar nog altijd niet voor in aanmerking, Moons. Vind je dat onrechtvaardig?’
Ze sloeg haar ogen neer. ‘Het zal wel weer mijn fout zijn zeker.’
‘Wat zeg je?’
Tjonge, dacht Sofie. Die lui zijn toch niet te geloven. Ze weten nooit wanneer ze moeten ophouden. ‘Dat het mijn eigen schuld is, directeur. Het zal niet meer gebeuren.’
De directeur knikte tevreden. ‘Welnu dan. Wat zou je denken van een uitgaanspermissie om een bezoek te brengen aan je moeder in Brussel?’
Ze kon haar oren niet geloven. ‘Dat... dat zou fijn zijn, directeur. Ik heb haar in zes jaar niet meer gezien. Ze heeft me nooit kunnen bezoeken.’
‘Dan wordt het hoog tijd dat ze haar dochter te zien krijgt. Vind je ook niet?’
Ze vertrouwde haar stem niet dus knikte ze alleen maar en trok, naar ze hoopte, haar gezicht in een dankbare plooi.
‘Goed zo.’
‘Dank u wel, directeur.’
‘De administratie heeft het allemaal uitgekiend.’ Hij raadpleegde zijn computerscherm. ‘Je hebt tachtig euro op je rekening. Je mag daar vijftig van opnemen. Dat moet volstaan voor de reiskosten en een bloemetje voor je moeder.’
Haar hart bonsde. ‘Vast en zeker.’
‘Je mag morgenochtend om halfnegen de instelling voor één dag verlaten. Om zeven uur ’s avonds moet je binnen zijn. Met het verkeer tegenwoordig weet je het nooit, daarom zijn we soepel, maar wat er ook gebeurt: de deadline is negen uur. Als je dan niet binnen bent, word je gesignaleerd als voortvluchtig.’ Hij keek haar doordringend aan. ‘Luister goed, Moons. Ik zal geen enkele misstap tolereren. Als je mijn vertrouwen beschaamt, zal ik er persoonlijk op toezien dat je je straf ten volle uitzit. Akkoord?’
‘Akkoord.’Medeschuldig
‘Goed. Ik wens je het beste. Je kunt gaan.’
‘Dank u, directeur.’
Ze draaide zich om en liep naar buiten, vechtend tegen de opkomende tranen. Op weg naar haar cel verwachtte ze de hele tijd teruggeroepen te worden om te moeten horen dat hij zijn beslissing had herroepen.
Als hij dat deed, zou ze hem met haar blote handen vermoorden.

  • Nawoord
  • Eindnoten, Links en Research
  • Medeschuldig bij Standaard Uitgeverij
  • pagina terug terug naar boven

    © copyright Bob Mendes, all rights reserved

    Hosting & Webdesign by Linulex

    Concept by Artchronicles